Doorgeven

Methodiek berekening doorgeefpercentage

Voor het vaststellen van de hoogte van het doorgeven in 2012 is gebruik gemaakt van de NOM Print Monitor, periode januari 2010 t/m december 2011.

De berekening van het percentage is uitgevoerd onder respondenten die hoofd van een huishouden zijn (belangrijkste kostwinner, één van de belangrijkste kostwinners of zijn cq haar partner).

In de teller staat het totaal bereik van het aantal keren dat een abonnement wordt doorgegeven en het gemiddeld bereik van het wel eens doorgeven van een los nummer. Aan de respondenten is tevens gevraagd hoe vaak ze deze krant doorgeven aan iemand anders buiten het gezin, en - in geval van een los gekocht nummer - of dit exemplaar regelmatig wordt doorgegeven. Deze vragen vormen de basis voor het vaststellen van de hoogte van het doorgeven. Het frequent doorgeven wordt berekend door degenen die de krant ‘wel eens doorgeven’ te wegen met de doorgeeffrequentie (1 van de 6 nummers = 1/6, 2 van de 6 nummers = 2/6 etc.) Hierbij wordt het aantal personen opgeteld dat zegt ‘een los nummer regelmatig door te geven’, alsmede het aantal personen dat zegt een gedeeld abonnement te hebben.

De noemer bestaat uit het aantal abonnees + het aantal losse nummer kopers van een titel. Om het aantal abonnees van een titel te meten wordt gedraaid op de wijze van verkrijgen abonnement + gedeeld abonnement. Dit laatste aantal wordt door twee gedeeld. Het aantal losse nummer kopers wordt verkregen door het gemiddeld bereik van een los nummer te berekenen.

Om voor elke dagbladtitel een betrouwbaar doorgeefpercentage te berekenen moet de steekproef voldoende groot zijn. Hoewel de NOM Print Monitor op jaarbasis een grote steekproefomvang heeft, is deze voor een enkel dagblad onvoldoende. In zo’n geval is gebruik gemaakt van het gemiddelde cijfer van de som regionale titels.

Van één dagblad worden geen doorgeefcijfers verstrekt: Het Financieele Dagblad. Omdat de verkoop aan particuliere adressen een gering deel uitmaakt van de totale oplage, is het niet zinvol om doorgeefpercentages voor dit dagblad te berekenen.


Dekking ex- en inclusief doorgeven op regioniveau

De binnenlandse oplage ex- en inclusief doorgeven wordt gebruikt als basis voor de dekking ofwel de penetratiegraad van de dagbladen per 100 huishoudingen in een gebied. De dekking exclusief doorgeven is de penetratie van dagbladen bij huishoudens die de krant als eerste ontvangen (verspreide oplage in een gebied gedeeld door het aantal huishoudens in dat gebied). Wil men alle huishoudens meetellen die de krant in huis krijgen - als eerste of doorgegeven - dan is de dekking de verspreide oplage inclusief doorgeven in een gebied gedeeld door het aantal huishoudens in dat gebied.

De dekking betreft altijd een dekking per gebied. Zo'n gebied kan het hele land beslaan of een enkele gemeente. Het percentage doorgegeven exemplaren laat niet toe betrouwbare cijfers op gemeenteniveau te berekenen. Daarom is de extra dekking die een dagblad door het doorgeven verkrijgt in alle gemeenten gelijkgesteld. Heeft een dagblad bijvoorbeeld een doorgeefpercentage van 20% en in gemeente A een dekking van 50% en in gemeente B een dekking van 75%, dan zijn de dekkingspercentages inclusief doorgeven in deze gemeenten respectievelijk: 50% + (50% x 0,20) = 60% en 75% + (75% x 0,20) = 90%. Elk dagblad heeft dus één doorgeefpercentage dat op alle regioniveaus wordt toegepast. Er zijn vier uitzonderingen: AD, NRC, De Telegraaf en de Volkskrant. Deze landelijke dagbladen hebben voldoende oplage (en dus genoeg lezende respondenten in het onderzoek) om een uitsplitsing naar Nielsen-districten te rechtvaardigen.